De Victory schepen Tjipondok, Tjikampek en Tjibodas

De Java China Japan Lijn was erg geschonden uit de tweede wereldoorlog gekomen. Van de elf schepen, waaruit de vloot in 1942 bestond, waren er slechts vijf bewaard gebleven. Van dit vijftal was het uit 1911 stammende s.s. Tjimanoek nauwelijks meer rendabel te exploiteren.

Nu de oorlog was afgelopen, was het zaak de vloot zo snel mogelijk uit te breiden om tot een goede bedrijfsvoering te kunnen komen. In het kader van het herstelplan voor de Nederlandse Koopvaardij werd va de Nederlandse regering het "Empire"schip m.s. van de Helst overgenomen, dat werd herdoopt tot Tjimenteng.
In 1946 werd besloten om twee Victory schepen uit de Amerikaanse mottenballenvloot aan te kopen. Het s.s. Hilsdale Victory kreeg de naam Tjipondok, terwijl het s.s. Berry Victory werd herdoopt in Tjikampek. Een jaar later - in 1947 - werd door wat inmiddels de KJCPL was geworden, nog een derde Victory schip, het s.s. Komodo Victory aangekocht. Deze laatste vloot versterking voer daarna verder onder de naam Tjibodas.

De door de RIL gekochte schepen waren van het type VC2, vrachtschepen met een dienst snelheid van 16 knopen en een tonnage van ongeveer 7800 BRT.
Voor het dekhuis bevonden zich drie laadruimen; er achter twee. Deze laadruimen waren uitgevoerd met tussendekken, konden worden bediend door elektrische laadlieren en de luikhoofden konden worden afgesloten met stalen pontons. Om zwaardere stukken te kunnen vervoeren was ruim II voorzien van een zware spier. Voorzieningen en tanks voor het vervoer van vloeibare lading waren niet aanwezig, terwijl er ook geen lading koel- en vries ruimen waren ingebouwd. Alle laadruimen waren aangesloten op een stoombrandblussysteem, waarbij de stoom werd opgewekt door de hoofd ketels.

De Machine Installatie

De voortstuwing geschiedde door een enkele schroef die door middel van een dubbele tandwieloverbrenging werd aangedreven door een hogedruk en lagedruk turbine. Om achteruit te kunnen slaan was op de voorzijde van het lagedruk turbinehuis een drietraps Curtiswiel aangebracht. De oververhitte stoom, met een werkdruk van 32 bar, werd opgewekt in twee stoomketels, gebouwd volgens het ťťntreks Babcock en Wilcox principe.
Alle pompen in de machinekamer waren dubbel uitgevoerd en wel zodanig, dat er van een type ťťn door stoom en de andere door een elektromotor werd aangedreven. Voor de stroomopwekking was de machinekamer uitgerust met een tweetal turbogeneratoren die stroom opwekten volgens het Dobrovolski-principe, hetgeen resulteerde in een draaistroomnet van 440V AC en een gelijkstroomnet van 110V DC.
De verschillende machinerieŽn werden gefabriceerd door meerder bedrijven. De voortstuwingsturbines konden bijvoorbeeld worden gefabriceerd door Westinghouse, General Electric of Allen Chalmers, terwijl de stoomketels konden zijn vervaardigd door Combustion Enginering, Foster Wheeler of de Amerikaanse vestiging van Babcock en Wilcox. Het ontwerp was voor alle deelnemende bedrijven hetzelfde: slechts in zeer kleine details onderscheidden de samenwerkende firma's zich van elkaar.

De accomodatie

Het midscheeps geplaatst dekhuis was, evenals de rest van het schip, geheel in metaal uitgevoerd. Deze in hoofdzaak in de Verenigde Staten toegepaste bouwwijze, waarbij - uit brandpreventie-overwegingen- nauwelijks een stukje hout op zo'n schip was te vinden, had tot gevolg dat de bemanningsruimten een onafgewerkte en ongezellige indruk maakten. De scheepshutten en gangen waren onbetimmerd, terwijl ook de leidingen onder de plafionds niet waren weg gewerkt. Omdat er geen airconditioning was ingebouwd, zal het voor iedereen wel duidelijk zijn, dat een dergelijke metalen opbouw - vooral bij de vaart in warmere streken - het verblijf in zo'n benauwde en hete hut niet tot een pretje maakte. Bij vaart op zee was het nog wel mogelijk om door middel van windhappers voor wat frisse lucht te zorgen, maar binnen liggend in een tropenhaven was het meestal niet te harden. Veel bemanningsleden namen het ongemak van muskieten en andere insekten maar voor lief en deponeerden hun matras op het schoorsteendek of in ťťn van de reddingssloepen.

Lijndiensten

De drie door de RIL aangekochte Victories werden ingezet op de Japan - IndonesiŽ dienst (JIS). De snel op gang komende industrie van Japan had grote behoefte aan grondstoffen, terwijl IndonesiŽ allerlei gebruiksgoederen zeer goed kon gebruiken. Vanuit Japan brachten de schepen allerhande stukgoederen naar IndonesiŽ, terwijl op de terugreis vaak grote hoeveelheden bauxiet op het eiland Bintang werden geladen.

Dit duurde tot 1956, toen de Indonesische havens voor Nederlandse schepen werden gesloten. De Victories vonden nu emplooi op de RIL dienst tussen het Verre Oosten en Oost Afrika (EAFS). Ook op deze lijndienst werden gebruiksgoederen vanuit Japan en Hong Kong naar Oost Afrika gebracht en werden grondstioffen vanuit Mozambique, Kenya en Tanzania naar het Verre Oosten terug getransporteerd. Daar veel carbid vanuit Mombassa werd vervoerd en dit goedje, in geval van brand, absoluut niet mocht worden geblust met water of stoom, werd ruim II aangesloten op de CO2 brandblusbatterij van de machinekamer.

Verbeterde leefomstandigheden

In de loop van de jaren trachtte de RIL wat verbetering te brengen in de leefomstandigheden aan boord van de Vics. Zo werd de officiersmessroom voorzien van airconditioning, zodat de maaltijden op een aangenamere wijze konden worden genuttigd. Een neveneffect was dat binnenliggend in een tropen haven 's nachts er vaak een run ontstond op de tafels in de messroom, waarop men zijn matras kon neerleggen en zo gekoeld kon slapen.
Ook werden de schepen met een klein opvouwbaar zwembadje uitgerust. Op de Tjipondok had dit fatale gevolgen. Vrij kort na elkaar verdronken op identieke wijze een 3e stuurman en een 4e wtk. Zij oefenden beiden in het snorkelen en hadden door hyperventilatie hun bewustzijn verloren.

Gesloopt

Aan het eind van de zestiger jaren bleek dat een rendabele bedrijfsvoering van de drie Victory schepen nauwelijks meer haalbaar was. De brandstofprijzen begonnen hun invloed meer en meer te doen gelden, waardoor het hoge brandstofverbruik van deze trubine schepen hun concurrentie positie ten opzichte van motorschepen steeds meer verslechterde. Ook begon het lading aanbod steeds meer specialisatie en hiermee gepaard gaande voorzieningen te vragen. Iets waaraan de eenvoudig gebouwde Victories niet konden voldoen.

Het jaar 1969 betekende het einde voor dit drietal. Een voor een beŽindigden zij hun loopbaan onder de slopershamers.

Tekst H.A. Slettenaar in de RIL post nr 1 uit 2000

Tjipondok

Vloot/Victory/Tjipondok-1.jpg Vloot/Victory/Tjipondok-3.jpg Vloot/Victory/Tjipondok-5.jpg
Roep letters PHZX
Werf Permanente Metalls Corp. Shipyard te Richmond Ca.
Bouwnummer V 708
Afmetingen L x B x H 138.91 x 18.94 x 11.58 meter
7.646b, 5.574n, 10.992d
Passagiers  
Voortstuwing Westinghouse Stoom turbine
Vermogen 6.000 rpk
Snelheid 15 kn.
te water gelaten 23 juni 1945
Geschiedenis 1945: Hillsdale Victory (US)
1947: Tjipondok
1971 te Kaohsiung gesloopt.

Tjikampek

Vloot/Victory/Tjikampek-1.jpg Vloot/Victory/Tjikampek-2.jpg Vloot/Victory/Tjikampek-3.jpg Vloot/Victory/Tjikampek-4.jpg Vloot/Victory/Tjikampek-5.jpg
Roep letters PHZW
Werf Permanente Metalls Corp. Shipyard te Richmond Ca.
Bouwnummer V 756
Afmetingen L x B x H 138.91 x 18.94 x 11.58 meter
7.641b, 4.580n, 10.992d
Passagiers  
Voortstuwing Westinghouse Stoom turbine
Vermogen 6.000 rpk
Snelheid 15 kn.
te water gelaten 19 mei 1945
Geschiedenis 1945: Berry Victory (US)
1947: Tjikampek
1962: in Beira tijdens cycloon zwaar beschadigd.
1970 te Hong Kong gesloopt.

Tjibodas

Vloot/Tjibodas/Tjibodas-1 Vloot/Tjibodas/Tjibodas-2
Roep letters PHZI
Werf Bethlehem Fairfield Shipyard te Baltimore
Bouwnummer Victory VC2-S-AP2 : 2.434
Afmetingen L x B x H 138.91 x 18.94 x 11.58 meter
7.607b, 4.579n, 10.963d
Passagiers
Aandrijving Westinghouse Electric stoomturbine
Vermogen 6.000 rpk
Snelheid 15 kn.
te water gelaten 18 december 1944
Geschiedenis 1945: Kokomo Victory US.
1947: Tjibodas JCJL
1969: gesloopt te Kaohsiung