Muiterij op de Straat Johore

 

In de eerste helft van 1964 onderhield de Straat Johore een dienst tussen India en Australië. Het was een beruchte drugslijn, populair bij de Chinese bemanning die, naar verluidt, in Hong Kong een flink bedrag moesten neertellen voor een plaatsje als bemanningslid. We hadden rond die tijd net een nieuwe civiele dienst aan boord gekregen, vol goede moed om binnen enkele reizen hun zo geďnvesteerde geld ruimschoots terug te hebben verdiend.

Maar halverwege Australië kwam er een telegram van de maatschappij, dat ons schip verder tussen Australië en Zuid-Afrika heen en weer zou gaan varen. Daar was nauwelijks wat te verdienen aan smokkel en de net aangekomen bemanningsleden waren furieus. De verhoudingen tussen hen en de officieren verslechterde met de dag en in Sidney barstte de bom. Ik zat met de vierde wtk om 11:30 uur in de eetzaal voor het zogenaamde ‘voor-eten’. Wij moesten 12 uur de wacht overnemen. Maar er was geen bediende in zicht en toen wij daarover wat stampij begonnen te maken, verscheen er een met een grote pan soep, die hij van enige afstand op onze tafel keilde, zodat we de hete spetters in ons gezicht kregen. De vierde machinist stond op en gaf de ondeugd een geweldige draai om de oren. Hier leken koks en bediende op gewacht te hebben, want er stormde een flinke club van hen uit de keuken de eetzaal binnen, gewapend met keukenmessen. Wij trokken ons al verdedigend terug, een trap op in de richting van de brug, omdat we wisten dat de kapitein wapens in een kluis had. Onze enige hoop op redding. Bij de laatste trap voor het brugdek sloot de derde stuurman, Luc Ingenluyff zich bij ons aan. Een beer van een man, die een bijna afgeronde mariniersopleiding op het KIM achter de rug had. De situatie werd hachelijk en op een zeker moment gingen een paar Chinezen tot de aanval over. Ik verdedigde de gang-zijde en gaf in mijn wanhoop de voorste man een soort karatetrap, zodat die ruggelings achterover vloog en daar met ademhalingsproblemen bleef liggen. Hij is later met een ambulance afgevoerd. Ondertussen wilde een andere Chinees me vanaf de trap naar het brugdek op mijn rug springen. Maar hij werd door Luc opgevangen en zijn arm was al uit de kom gedraaid voordat hij naast mij het dek raakte. Veel gekrijs van pijn en woede.

Inmiddels had de kapitein al wel de politie gewaarschuwd, die aan kwam stormen en de laatste aanvallers met een soort lange gummi knuppels een ongenadig pak slaag gaf, zodat de strijd snel in ons voordeel beslist was.

Wat er toen gebeurde lijkt veel op de tafrelen op de Straat Malakka twee jaar later. De communistische bond van havenwerkers trok ‘ongezien’ partij voor de Chinezen, het schip werd besmet verklaard en de directie kon, uit puur economische motieven, niet veel anders dan de muiters in al hun wensen tegemoet treden. Luc en ik werden in een hotel ondergebracht om later overgeplaatst te worden. Maar mijn 2-jaar tour zat er toch grotendeels op dus ik nam ontslag, ging in Nederland terug naar school voor mijn tweede rang en solliciteerde intussen bij de luchtmacht als jachtvlieger. Dat laatste is gelukt en ik heb acht mooie jaren bij de Klu gehad en over de rest van mijn carričre heb ik ook niet te klagen. Verslagen daarover zijn te lezen op mijn website www.twosigma.nl Luc Ingenluyff heeft zijn loopbaan nog enige tijd voortgezet, maar de verhoudingen waren behoorlijk verstoord en op de ranglijsten van 1964 en 1965 is te zien, dat hij door allerlei jongere officieren werd gepasseerd. Tenslotte heeft hij ook de RIL maar verlaten. Zowel kapitein Panhuyzen, de ‘boosdoener’ van de Straat Malakka als Luc Ingenluyff hebben, op voorspraak van mijn vader, die toentertijd inspecteur bij de scheepvaartinspectie was, een fatsoenlijke functie gekregen bij die dienst.

Mijn vader zelf is in 1984 overleden, Panhuyzen is waarschijnlijk inmiddels ook dood en van Luc las ik: ‘Op zaterdag 15 juli 2011 overleed op 73 jarige leeftijd Luc Ingenluyff. In 2000 heeft hij om gezondheidsredenen Den Haag verlaten en is met zijn vrouw Sonja gaan wonen aan de Costa del Sol in Benalmadena’. Zelf sprak ik hem voor het laatst bij het afscheidsfeest ter ere van de pensionering van mijn vader bij de S.I.

Dit verhaal heeft een treurige kant. Het belang van de aandeelhouders ging ook hier boven de moraal. Het besmet verklaren van een schip kan een maatschappij zo veel geld kosten, dat daarvoor wel een paar officieren moeten worden opgeofferd. In het verhaal over de Straat Malakka wordt nog gerept van een ‘… brief aan de vakbond van scheepsofficieren (VNKO)’. Maar die ‘belangenvereniging’ heeft het kennelijk niet opportuun geacht, of is niet bij machte geweest om recht te doen aan dat wat kapitein Panhuyzen is aangedaan. Spinoza zei het al: ‘Ieder heeft zoveel recht als hij macht heeft.’ VNKO niet veel, blijkbaar. Maar laten we vrolijk eindigen. Ik heb een leerzame en mooie tijd gehad. Nooit zal ik het intense gevoel vergeten, dat ik als 19-jarige wacht doend stuurman had bij het, als vrijwel iedereen sliep, alleen op de brug staan om het schip veilig door de drukke Straat Malakka te manoeuvreren. Ook zullen de prachtige verre landen, de exotische maaltijden en de uitbundige feesten me altijd bijblijven. Chicken piri-piri in Laurenco Marques, sweet and sour zeebaars in een klein Chinees restaurantje in Colombo, carnaval in Rio, dansen in Buenos Aires met de verpleegsters van het International Hospital aldaar. Zie foto.

 

Ja, varen is inderdaad fijner!

Herman Heringa

www.twosigma.nl