Mijn Memoriaal 3

Dinsdag 18 februari 1971

Vandaag tijdens vertrek de pakkingbus van de manoeuvreer afsluiter aangezet wegens licht lucht lekkage. Naar aanleiding daarvan het gehele aanzetschema van de hoofdmotor nagelopen.

 Aanzet schema B & W hoofdmotor

1Manouevreerafsluiter (fig. 1)
2Aanzetlucht automaat (fig. 2)
3Aanzetklep (fig. 3)
4Stuurschuif (fig. 4)
5Omkeerklep (fig. 5)
6Startklep (fig. 6)
7Rem cilinder (fig. 7)
8Torn beveiliging

Hierboven een blokschema voor de pneumatische aanzet- en omkeer inrichting van de hoofdmotor.
De inrichting werkt op een luchtdruk van 25 kg.cm2. De minimale druk waarbij de motor nog gestart kan worden bedraagt ongeveer 10 kg/cm2.
De nummers 2, 3 en 7 zijn pneumatische kleppen, nummer 4 wordt door een nok bewogen, nr 6 door het aanzet/brandstof hendel en nr 5 door het omkeer hendel.

 fig 1: Manoeuvreer afsluiter

De manoeuvreerafsluiter (bedienbaar vanaf de maouevreerstand) wordt geopend, waardoor de luchtdruk via de leidingen A en B in de ruimte C komt te staan van de aanzet lucht automaat (fig. 2) en in de ruimte D boven de startklep (fig. 6), die op de zitting wordt gedrukt door de lucht druk.
Van de ruimte D gaat de lucht door leiding E naar de ruimte F boven de zuiger van de aanzet automaat, waardoor deze in de gesloten positie wordt gehouden.

 fig 2: Aanzetlucht automaat

We nemen nu aan dat de motor vooruit stil staat en achteruit gestart moet worden.
De omkeer hendel wordt verschoven naar de stand achterui, waardoor de omkeerklep gelicht wordt.
Dan wordt het aanzet hendel in de stand aanzetten gezet. De startklep(6) sluit nu de lucht toevoer naar de automaat af en de ruimte F wordt ontlast door het onderste gedeelte van de startklep en via de tornbeveiliging (8).
Als de tornmachine uit staat is de klep in de laagste stand, zodat de leiding Q kan ontlasten door het onderste gedeelte van de klep. Boven de zuiger van de automaat (2) is de druk weg gevallen, terwijl er onder nog steeds de volle druk staat. Hierdoor wordt de schuif omhoog bewogen. De bovenste klep opent nu, terwijl de onderste sluit. De ontlasting van de leiding G wordt hierdoor afgesloten, terwijl de lucht uit de ruimte C via de bovenste klep nu naar de ruimte H boven de aanzetklep gaat.

 fig 2: Aanzetklep

De lucht gaat tevens door de leiding J door de geopende omkeerklep (5) en de leiding K naar de remcilinder (7) waarvan de rol in de nokkenschijf gedrukt wordt. Hierdoor wordt de nokkenas van de brandstofpompen stilgezet, terwijl de as van het kettingwiel draait totdat deze de nokkenas weer meeneemt d.m.v. een aanslag. De nokkenas is nu 130 graden verschoven t.o.v. de vooruit stand. Door deze verdraaiing wordt d.m.v. een stangenstelsel de omkeerklep weer gesloten. De remcilinder wordt ontlast en de rol komt weer vrij van de as. Dit gebeurt als de motor begint te draaien.

 fig 4: Stuurschuif

Verder gaat de lucht door de leiding L naar de stuurschuif (4). Voor elke cilinder is er een stuurschuif, die allemaal in één huis zijn ondergebracht. Bij de schuifjes waarvan de nok in de aanzetstand staat, wordt de schuif door de druk tegen de veerspanning in naar beneden gedrukt (de nokjes zijn n.l. negatief) De lucht kan nu bij deze schuifjes door de leiding M stromen naar de bijbehorende aanzetkleppen en wel naar de ruimte N boven de zuiger. Door de druk die nu boven de zuiger staat wordt de klep tegen de veerdruk in geopend en de lucht in de ruimte H kan nu naar de cilinder stromen, waardoor de motor begint te draaien.
Als de aanzet periode van een cilinder eindigt wordt de bijbehorende stuurschuif door de nok weer omhoog gedrukt. De lucht toevoer naar de leiding M wordt afgesloten en vervolgens wordt de leiding M ontlast doordat de doorgang van M naar de ontlast leiding O vrijgemaakt wordt. De druk in de ruimte N in de aanzetklep valt nu weg en de veerdruk sluit de klep weer.

 fig 5: Omkeerklep en tornbeveiliging

Als de motor eenmaal gaat draaien, wordt het aanzet- brandstof hendel snel in de positie brandstof gezet. Hierdoor kan de startklep weer zakken en wordt de ontlasting van de aanzet automaat (leiding E) afgesloten en de lucht weer toegelaten tot de ruimte F en de automaat sluit de leiding A af. Leiding C wordt ontlast via de ruimte R en de leiding S. De stuurschuifjes worden nu tevens ontlast via de leiding L zodat de veer de schuifjes vrij van de nokken houdt.
De motor draait nu volledig op brandstof en het aanzet systeem na de aanzetlucht automaat is geheel ontlast.

 fig 6: Startklep

 fig 7: Rem cilinder

Torn beveiliging

De motor is beveiligd tegen het starten met een instaande tornmachine door middel van klep 8, die geheel identiek van constructie is als de omkeerklep (5). Staat de tornmachine in, dan wordt de klep omhoog gehouden door een nok aan de torn machine. Hierdoor wordt open verbinding gemaakt tussen de leidingen P en Q. Als nu de startklep geopend wordt blijft toch de luchtdruk boven de zuiger van de automaat staan (ruimte F) zodat deze niet zal openen. De ontlasting wordt hierdoor n.l. afgesloten door het dikke gedeelte van de klepsteel. Staat de torn machine uit, dan staat de klep in de laagste stand. De verbinding tussen P en Q is nu weer afgesloten en de startklep kan weer ontlasten via de leiding Q door de gaatjes onder in de tornbeveiliging.