Het Vrouwtje van Saigon

een verhaal geschreven door Jaap Kramer, oud-werktuigkundige KPM/RIL beschikbaar gesteld door Theo Pondaag.

Hieronder de 'étât-major' ten tijde van het voorval.
Kapitein: Zeylstra +
1e Stm.: Swaving +
2e Stm.: Verseput
3e Stm.: v.d.Wel
4e Stm.: Jolmers
Ll. Stm. v. Erk
Sparks: Blaauw
Hwtk.: Schriemer +
2e Wtk. Verwey
3e Wtk.: Theo Pondaag
4e Wtk.: Jaap Kramer*
4e Wtk.: Jaap Mazereeuw*
5e Wtk.: Henk Potgieter*
5e Wtk.: Hoopman
5e Wtk.: Jan Schoolkate*
Ll. Wtk.: Noort
Ll. Wtk.: v.Harten
(+ = overleden, * = betrokkenen.)

Het gebeurde op 3 november 1963. Er waren vier bemanningsleden, Jaap Mazereeuw, Henk Potgieter, Jan Schoolkate en Jaap Kramer.

Het m.s. “Straat Frazer” was die dag te Saigon aangekomen en lag voor en achter aan de boeien op de rivier. De vier maten waren die avond gaan stappen in de voor hen onbekende stad en kwamen rond middernacht terug. Aan de oever van de rivier lagen bootjes met en zonder buitenboordmotor maar ze vonden niet zo gauw iemand die hen de kleine overtocht aanbood voor een kleine prijs.

Daar kwam een jongetje aan en wenkte ons mee te komen. De moeder bleek een sampan te “bemannen’, een niet al te grote sampan. Over het veergeld waren we het gauw eens en we stapten in. Krap genoeg plaats voor ons vieren en de bemanning, maar we waren niet kieskeurig. Wel vonden we de handbree boord wat aan de karige kant. Gelukkig wuifde de schipper onze zorg weg en de ‘drieplank’ kwam al los, vrouwkracht stuwde ons richting riviermidden.

 Op die plaats maakte de rivier een flauwe bocht en om meandervorming te voorkomen en de walkant te beschermen staken om de ruwweg 100 meter hoofden of pieren haaks de rivier in. De lengte van die hoofden zal ongeveer 30 meter geweest zijn en al snel passeerden we het einde ervan.

Tussen de hoofden was het water vrijwel rimpelloos en de reis derhalve vlekkeloos, maar nu kregen we te maken met een grootheid meer: golfslag! Ook al waren het maar kleine golfjes, ze keken zo nu en dan net over de rand. Langzaam maar zeker werd de boot binnenwerks natter. Je hoopt dat er een blikje, mok of kom tot hooswerktuig veredeld kan worden. Niets van dat alles zodat het moment kwam dat iemand ging staan en niet veel later zei;”Laten we maar overboord stappen”, maar eerst hadden we onze beste kans in enkele woorden besproken: het uiteinde van de dichtstbijzijnde pier! Na enkele slagen kwam Henk langs een spartelend ventje-in-nood: hij kon niet zwemmen! En over het water klonk zijn vraag: “Kan die vrouw wel zwemmen? Ik heb de jongen al.” Inderdaad bleek de vrouw ook gered te moeten worden en één van de anderen, die er het dichtst bij was, zou dat op zich nemen. Maar de doodsbenauwde vrouw maakte het de onervaren reddingzwemmer erg lastig, ze greep zich zo vast dat één of beide armen van de man zo vastgeklemd werden dat er een drama dreigde. Het water sloot zich boven hen en ze zakten tezamen langzaam en spartelend de diepte in. Dat werd vechten en met veel moeite kreeg de zwemmer zijn armen vrij en zwom naar de lucht. Uiteraard liet de vrouw haar enige houvast niet los en het drong tot hem door dat zij zich niet zou laten kalmeren, ze was duidelijk in paniek en dat was ook geen wonder. Dus zag hij maar een ‘oplossing’, een rigoureuze. Met een soort van knock-out klap werd het plotseling een stuk gemakkelijker en kon er gezwommen worden.
Nog voordat we bij de pier waren kwam de rivierpolitie en pikte ons handig op, alle zes, zonder mankeren. Wij, van de Straat Frazer, werden als eersten naar onze bestemming gebracht. Onderweg zagen we een roeiriem en de gekapseisde sampan wegdrijven. Alle geld dat we bij ons hadden hebben we aan de gedupeerde vrouw gegeven, we hoopten dat ze daarmee en met de hulp van de rivierpolitie haar negotie weer op kon vatten.

Onze schade was beperkt: verweekte paspoorten, enkele ‘verdronken’ horloges en een gescheurd overhemd. Onze verrijking lag op het vlak van ‘lering en navertelling’.